Jacob van Lennep - De avonturen van Ferdinand Huyck (1840)
Over de auteur
Jacob van Lennep (1802-1868) werd in Amsterdam geboren als zoon van een hoogleraar. Van Lennep studeerde rechten in Amsterdam en Leiden. In 1823 wandelde hij met zijn vriend Dirk van Hogendorp door Nederland. Hij hield een dagboek van de voetreis bij. Hij promoveerde in 1824. In 1829 werd hij rijksadvocaat in Amsterdam. Zijn eerste bekendheid kreeg hij met lange gedichten over middeleeuwse legenden, Nederlandsche legenden (1828-1831). Zijn eerste historische roman, De pleegzoon (1833), was meteen een groot succes, en zijn naam als schrijver was toen gevestigd. Volgende historische romans zijn: De roos van Dekama (1836), De lotgevallen van Ferdinand Huyck (1840) en Elisabeth Musch(1850). Zijn eigentijdse zedenroman De lotgevallen van Klaasje Zevenster (1865) kreeg veel kritiek omdat een hoofdstuk zich afspeelde in een bordeel. Hij verzorgde ook uitgaven van het werk van anderen: Vondel, Multatuli, De Schoolmeester.
Inhoud
Na een reis van twee jaar door Italië komt de jonge advocaat Ferdinand Huyck terug naar zijn vaderland, met zijn vriend jonkheer Eduard van Ypendaal. Hij blijft een dag bij zijn vriend en gaat alleen verder naar Amsterdam. In een herberg krijgt hij bijna ruzie met een matroos. Hij ontmoet in die herberg een marskramer en een vreemde heer met een rode mantel in gezelschap van zijn dochter. Verder trekkend moet Ferdinand schuilen voor een regenbui. Hij sluipt in een het theehuis van een landgoed en ontmoet daar een jongedame, Henriëtte Blaek, die een vriendin van Ferdinands zus Santje blijkt te zijn. Ferdinand wordt meteen verliefd op haar. Haar voogd, zijn zoon Lodewijk en de huisdichter Helding treffen haar in het theehuisje alleen met de onbekende Ferdinand aan, en hij wordt weggestuurd. Op de hei bij Laren wordt Ferdinand lastiggevallen door een roversbende, waaronder de matroos met wie hij eerder bijna ruzie had. Er ontstaat een vechtpartij, waaruit hij gered wordt door de heer met de rode mantel. Deze stelt zich voor als Bos. Bos vraagt Ferdinand of hij diens dochter Amelia naar Amsterdam wil begeleiden. Hij moet haar naar een notaris Bouvelt brengen en de schuilplaats van Bos geheimhouden. In Amsterdam nemen Ferdinand en Amelia afscheid. Thuis wordt hij hartelijk ontvangen. Zijn vader, een hoge politiefunctionaris (hoofdschout), wist al dat hij er aan kwam via zijn spionnen. Ferdinand hoort in een gesprek van zijn vader met de chef van de geheime politie Heynsz ook, dat de vliesridder gezocht wordt, en het wordt hem duidelijk dat dat Bos moest zijn. Heynsz is behalve politiechef ook pensionhouder. De dichter Helding heeft kamers bij hem. Ferdinand gaat deze bezoeken. Helding vertelt hem over zijn dochter Klaartje die de wijde wereld ingetrokken was, ofschoon zij bemind werd door Sander. Ferdinand ontdekt dat Amelia ook bij Heynsz op kamers woont, en daar lastiggevallen wordt door Lodewijk Blaek. Ferdinand komt voor haar op en krijgt ruzie met Lodewijk. Ferdinand gaat met zijn zus logeren bij zijn tante Van Bempden in Het Gooi. Tante is zeer rijk en het is de bedoeling dat Ferdinand in haar firma opgenomen wordt. Henriëtte logeert ook bij tante. Ferdinand kan aan haar uitleggen dat er tussen hem en Amelia geen relatie is, hoewel dat geïnsinueerd werd door Lodewijk Blaek. Ferdinand wordt hoe langer hoe verliefder. Daarna ontmoet Ferdinand kapitein Pulver, die voor tantes firma vaart. Hij vertelt dat hij eens door zeerovers gevangen genomen was, maar bevrijd werd door Amelia, de dochter van aanvoerder Don Manoël. Van de vennoot van tante hoort Ferdinand nu, dat de kaperkapitein, Bos, de Vliesridder etc. allemaal een en dezelfde persoon zijn. Deze man is een gewezen luitenant van de marine, die met de zus van tante Van Bempden het land had verlaten en in Spaanse dienst was getreden. Amelia is dus een nicht van tante. Lodewijk Blaek organiseert een zeiltocht op de Zuiderzee met Henriëtte, Ferdinand, Santje, tante en een Duitser. Door zijn roekelosheid lijden ze schipbreuk, het jacht raakt vast en Ferdinand speelt een heldenrol bij het redden van de dames. Uit gesprekken blijkt dat Jacobus Blaek een soort ereschuld heeft, die hij ongedaan wil maken door zijn nichtje Henriëtte te laten trouwen met zijn zoon Lodewijk. De verhouding tussen Lodewijk en Ferdinand wordt steeds slechter. Nogmaals raakt Ferdinand betrokken bij het lot van Amelia. Zij wordt in het huis van Heynsz opnieuw belaagd door Lodewijk. Haar vader is er getuige van en smijt hem de trap af. Ferdinand ziet dit alles gebeuren. Henriëtte hoort hierover en vreest dat er toch een band tussen Amelia en Ferdinand is. Ze vertrouwt hem niet meer. Ferdinand ontdekt dat er tussen Bos en Jacobus Blaek een kwestie speelt over een testament. Een schip van de firma Van Balen lijdt schipbreuk en Ferdinand moet naar Terschelling, in gezelschap van Helding. Deze vindt daar zijn dochter terug. Ferdinand ontmoet er Bos en hoort er zijn levensverhaal. Als katholieke zoon van baron Van Lintz had hij nooit veel kansen gekregen. Daarom was hij in Spaanse dienst getreden. Hij was een zwager van Hendrik Blaek en Amelia was zijn enig kind. Op reis naar Mexico werd zijn schip door zeerovers overvallen en om van de nood een deugd te maken werd hij zelf zeerover. De baron werd als een deserteur beschouwd en overal gezocht. Onverwacht komt het jacht van Lodewijk Blaek langs. Lodewijk lokt een duel met de baron uit om hem te kunnen laten arresteren. Klaartje herkent in Lodewijk de man die haar verleid heeft en haar op het slechte pad had gebracht. Zij sterft. Sander, die haar nog steeds bemint, zweert wraak te zullen nemen. Als Ferdinand de volgende dag wandelt in de duinen, treft hij Sander dood aan naast een gewonde Lodewijk, die buiten bewustzijn is. Als hij bijkomt, wijst hij Ferdinand aan als de dader. Deze wordt gevangen gezet. Inmiddels heeft het lot zich voor de baron gekeerd: hij wordt niet meer vervolgd. Jacobus Blaek heeft zelfmoord gepleegd. In zijn afscheidsbrief bekent hij dat hij de erfenis van zijn broer, de vader van Henriëtte, zelf had gehouden. Als zijn zoon met Henriëtte zou trouwen, zou hij zich minder schuldig gevoeld hebben. Baron Van Lintz wist van de malversaties en als hij spreekrecht kreeg, zou hij alles kunnen openbaren. Als Lodewijk van deze brief hoort, trekt hij zijn beschuldiging tegen Ferdinand in, vermaakt zijn geld aan Henriëtte en sterft. Een half jaar later trouwt Ferdinand met Henriëtte.
Structuur en genre
De roman bestaat uit 39 hoofdstukken met lange titels. De oplossing van het raadsel van Bos wordt pas in het 35ste hoofdstuk opgeheven. Ferdinand Huyck is een zogenaamde historische avonturenroman.
Personages
De personen zijn `flat characters', hun karakter verandert niet gedurende het boek, ondanks alle wederwaardigheden. Hooguit wordt de hoofdpersoon rijper en dus voorzichtiger. De hoofdpersoon is Ferdinand Huyck. Hij is een rechtschapen jongen die opkomt voor onrecht. Hij gaat om met mensen uit verschillende klassen van de maatschappij. Buiten zijn opzet raakt hij verwikkeld in allerlei avonturen. Belangrijk is ook de figuur van Bos, met zijn vele namen. Hij is een avonturier van hoge stand, die door zijn heetgebakerdheid in problemen verzeild. Als katholiek wordt hij in Holland niet geaccepteerd. Huycks vader, de hoofdschout Willem is een rechtvaardig en plichtsgetrouw persoon, die zijn principes voor niemand opzij zet, ook niet voor zijn zoon. Lodewijk Blaek is de tegenpool van Ferdinand. Hij is een losbol en een schurk, die in zaken, in vriendschappen en in de liefde niet te vertrouwen is. Zijn vader Jacobus is ook niet te vertrouwen, maar hij heeft tenminste gewetenswroeging. De vrouwen zijn allemaal uit het goede hout gesneden. De pittigste is het zusje van Ferdinand, Santje, die belezen is en geestig. Tante Van Bempden is bedrijvig, verstandig en zelfstandig. Amelia is een hulpeloos en gevoelig slachtoffer van de omstandigheden. Henriëtte is verstandig en gevoelig.
Plaats en tijd
Veel plaatsen in Nederland zijn vertegenwoordigd: o.a. Amsterdam, Amersfoort, Naarden, Laren en Terschelling. Ook speelt een deel op de Zuiderzee. Er wordt veel aandacht besteed aan de `couleur locale': de beschrijving van inrichting, huizen, vervoer, kleding etc. De handeling speelt zich zowel in herbergen als in deftige buitenplaatsen af. De tijd van handeling is de vrije achttiende eeuw, omstreeks 1720. De vertelde tijd is enkele maanden. Aan het slot is een tijdsprong van een half jaar.
Point of view
Ferdinand Huyck is de ik-verteller. Hij beschrijft de gebeurtenissen achteraf, waardoor hij auctoriale trekken heeft.
Thema
Centraal staat het thema van de ware liefde, die alle hindernissen overwint. Dat is de voornaamste van een reeks hindernissen die de hoofdpersonen ondervinden en die door standvastigheid en oprechtheid overwonnen worden. Er is het bedrog van de oude Blaek ten opzichte van zijn zwager. Meisjes worden bedrogen door Lodewijk. De hele roman is het verslag van hoe een jonge student volwassen en wijs wordt door allerlei tegenslagen.
Stijl
Het boek is, zoals in de negentiende eeuw gebruikelijk, nogal uitvoerig in details verteld. De stijl is geestig, en er zijn veel komische uitspraken. De personen worden gekarakteriseerd in hun taal: gebroken duits, dichtertaal, telegramstijl, joodse uitspraak. Voor de afwisseling zijn er nogal wat brieven opgenomen.
Waardering
Ferdinand Huyck werd bij publicatie zeer goed ontvangen. Het is lang het meest gelezen werk van Van Lennep geweest. Het geeft een goed beeld van de achttiende-eeuwse regentenwereld en het gezinsleven van de hogere standen, maar ook laat het kritiek zien op het uitsluiten van katholieken en op het losse leven van sommige leden van de hogere stand.
Samenstelling: Marita Mathijsen.
