Jacob Jan Cremer - Fabriekskinderen (1863)
Over de auteur
Jacob Jan Cremer (1827-1880) is bekend als kunstschilder en als schrijver. Succes kreeg hij met zijn in dialect geschreven novellen, die voor een groot deel in de Betuwe, later ook in Scheveningen spelen. Ze zijn moralistisch en de schrijver komt erin op voor maatschappelijk onrecht. Hij was een van de eerste beroepsschrijvers in Nederland. Hij kon prachtig voordragen en werd daarom veel gevraagd om op te treden. Diverse van zijn romans stellen misstanden in de samenleving aan de kaak. Hij verzette zich tegen kinderarbeid in zijn novelle Fabriekskinderen (1863).
Inhoud
Leiden in de negentiende eeuw. Een kameraad van de reuzengeest van de eeuw strijdt tegen de nacht. Gasverlichting verlicht de straten en grachten om het gevaar in de oude stad te kunnen opmerken. Het gevaar komt van de rechterkant van de Rijn, daar waar de meeste fabrieksarbeiders wonen. Fabrieksarbeiders als Evert, Saartje en Sander. Dit drietal, de oudste kinderen van Gerrit Zwarte, worden om zes uur 's ochtends naar de fabriek gestuurd om te werken. De kinderen zijn zo vermoeid dat ze nauwelijks wakker te krijgen zijn. Een kwartier later lopen ze gedrieën over straat. Saartje voelt getik in haar hoofd. Ze heeft koorts, maar mag niet thuisblijven. Er moet geld verdiend worden, dus loopt ze stevig door. Evert neemt Sander bij de hand, omdat hij niet verder wil lopen. Sander is moe en bijt Evert zodat hij hem loslaat. Evert en Saartje laten hun broertje alleen achter om even later de fabriek binnen te gaan en te verdwijnen in een van de zalen van de stoom-wolspinnerij. De omstandigheden in de fabriek zijn slecht. De machines staan zo dicht op elkaar, dat het niet onwaarschijnlijk is dat er af en toe iemand door de machine gegrepen wordt. De armoedige, verzwakte kinderen in de fabriek zijn hard aan het werk. De grofspinner deelt slaag uit aan hen die niet doorwerken. Sander ontkomt vandaag aan de slaag van de grofspinner. Willem van Hogenstad treft Sander slapend op straat aan. Twee verschillende werelden ontmoeten elkaar. De kleine Sander Zwarte uit de Leidse achterbuurt, die al om zes uur 's ochtends de armoedige woning verlaten heeft om naar de fabriek te gaan en Willem baron van Hogenstad, jurist aan de Leidse academie, die op weg is naar één van de mooie kamers die hij huurt van de melkboer. Willem heeft medelijden met Sander en neemt hem mee naar zijn huis om hem in zijn bed verder te laten slapen. Als Sander wakker wordt vertelt hij Willem over zijn leven als fabriekskind. Hij werkt dertien, veertien of vijftien uur per dag onder toeziend oog van de spinner. Naar school gaat hij niet, want dan kan hij geen geld verdienen. Zijn vader is aan de drank en laat de kinderen voor het inkomen zorgen. Sander heeft geluk. Hij zal dankzij Willem opgevoed worden en naar school kunnen gaan. Zijn zieke zusje Saartje daarentegen ontkomt niet aan haar lot. Het werk in de fabriek heeft haar dusdanig verzwakt dat ze niet in staat is te vechten tegen de koorts. Zij sterft. Daar is het gevaar waarvoor eerder gewaarschuwd werd. Een kind is vermoord omwille van de winst. Het verhaal besluit met een noodkreet aan de vorst en de wetgevers om een einde te maken aan kinderarbeid. Alleen dan zal de stad van haar pijn verlost kunnen worden.
Structuur en genre
Fabriekskinderen is opgedeeld in negen stukken, van elkaar afgescheiden door een liggende streep. Het verhaal begint met de reuzengeest die het komende onheil aan het licht zal brengen. Hierna volgt een kennismaking met drie fabriekskinderen en het werk in de fabriek. Het langste stuk beslaat achttien van de in totaal negenendertig pagina's en beschrijft drie taferelen. In het eerste tafereel heeft Willem Sander mee naar huis genomen, in het tweede wordt duidelijk dat Sander goed terecht zal komen en in het derde tafereel overlijdt Saartje. J.J. Cremer besluit met afschuw voor de situatie van fabriekskinderen en de bede om verbetering van de omstandigheden voor deze kinderen.
Personages
Sander, Saartje en Willem zijn karakters. Sander de Zwarte is een fabriekskind van tien jaar oud, maar hij lijkt veel jonger. Hij lijdt een zwaar leven in de fabriek. Zijn elfjarige zusje Saartje is er niet beter aan toe. Ze is verzwakt door de koorts en sterft uiteindelijk. Willem van Hogenstad is van goede komaf en is jurist aan de Leidse academie. Hij heeft medelijden met Sander en ontfermt zich over het fabriekskind.
Plaats en tijd
Het verhaal speelt zich af in Leiden in de negentiende eeuw rond de tijd dat de novelle geschreven is, dus rond 1863. Gaslantaarns verlichten de stad. Kinderen van tien jaar werken in de fabriek. Het verhaal omvat een dag die begint om zes uur 's ochtends als de kinderen opstaan en eindigt 's nachts als Saartje sterft.
Point of view
Er is een auctoriale verteller aanwezig, die commentaar geeft op het verhaal en zijn gevoelens volop uit. De auctoriale verteller geeft de gedachten weer van de verschillende personages.
Thema
De overheid moet kinderarbeid verbieden. Kinderen horen niet voor het inkomen van hun ouders te zorgen, maar opgevoed en onderwezen te worden.
Stijl
J.J. Cremer was een voordrachtskunstenaar. Hij schreef voor een luisterend publiek. Cremer betrekt de luisteraar bij het verhaal met woorden als 'luister', 'zie' en 'maar stil'.
Waardering
J.J. Cremer las de novelle voor aan een groot aantal luisteraars, waaronder ministers en leden van de Tweede Kamer. Hij trok politieke aandacht met de novelle. Fabriekskinderen leidde in 1865 tot een regeringsonderzoek naar kinderarbeid.
Samenstelling; Marlous Zoer.
